Vandaag horen we het wéér voorbijkomen: “Ik irriteer me enorm aan hem”. Dat ene op het oog zo simpele zinnetje kan zoveel persoonlijke ergernis met zich meebrengen. En dat zegt natuurlijk ook iets over ons…;-) Maar goed, misschien kunnen we het goedmaken als we uitleg geven over waarom het ons irriteert.

Irriteren en ergeren. Twee woorden die vrijwel dezelfde betekenis hebben. Irriteren betekent ‘boos maken’. En ergeren wil zeggen ‘tot ontstemming prikkelen’ of ‘gevoelens van onvrede veroorzaken’. Maar het grote verschil zit hem in het gebruik van de woorden.

Wanneer  gebruik je ‘ergeren’ en wanneer ‘irriteren’?

Het werkwoord irriteren combineer je vaak met een lijdend voorwerp. Enkele voorbeelden:

  • Haar gedrag irriteert hem enorm. (hem is lijdend voorwerp)
  • Het huilen van die baby irriteert hen ontzettend. (hen is lijdend voorwerp)
  • Hij irriteert me met zijn overdreven gedrag. (me is lijdend voorwerp)

Ergeren gebruik je meestal als wederkerend werkwoord in combinatie met het voorzetsel aan. Om dat te verduidelijken:

  • Zij ergert zich aan de vele reclames op televisie. (zich is wederkerend voornaamwoord)
  • Ik erger me aan arrogante mensen. (me is wederkerend voornaamwoord)
  • Erger jij je ook zo aan haar gezeur? (je is wederkerend voornaamwoord)

Taaltip: Samengevat, je ergert je áán iets of iemand. Iets of iemand irriteert je.

Toe aan nog meer inspirerende taaltips?

Lees meer